Van Eesteren-Fluck & Van Lohuizen Stichting

Over Th.K. van Lohuizen

de eenheid van het stedenbouwkundig werk

Stedenbouw is volgens Theodoor Karel van Lohuizen (1890 – 1956) het maken van concrete plannen voor de toekomstige inrichting van een bepaald gebied voor het gebruik door de mens.

Omslag van de biografie van Theo van Lohuizen uit 1990

Die inrichting moet voldoen aan hoge maatstaven van schoonheid en doelmatigheid. Het plangebied dient een ordelijk voorkomen te krijgen. Hij voegt in zijn inaugurele rede als privaatdocent aan de Universiteit van Amsterdam uit 1941, daaraan toe dat stedenbouw in laatste instantie scheppende, architectonische arbeid is. Het is gebaseerd op een grondige kennis van de fysieke eigenschappen van het gebied en de kenmerken van de samenleving. Om op een verantwoorde manier te beginnen met de opstelling van een plan moet de maker van het plan zich dus een helder voorstelling kunnen maken van het gebied en de behoeften van huidige en toekomstige gebruikers. Het ontwikkelen en verfijnen van methoden van onderzoek en het verzamelen van de noodzakelijke data is het werk van de stedenbouwkundig onderzoeker. Van Lohuizen heeft tussen 1920 en 1956 een pioniersrol gespeeld in de ontwikkeling van het stedenbouwkundig vooronderzoek, allereerst in de praktijk en later in de academische sfeer.

Kaart van de bevolkingsgroei van dorpen en steden in Holland en Utrecht tussen 1869 en 1920, gemaakt door Van Lohuizen tussen 1924 en 1927 voor een tentoonstelling over de verstedelijking in West-Nederland.

Tussen 1921 en 1929 heeft Van Lohuizen gewerkt als ingenieur belast met onderzoek bij de Woningdienst in Rotterdam. In die functie toonde hij zich al een scherpe observator van de dynamiek van maatschappelijke verschijnselen met een goed gevoel voor grafische presentatie van onderzoeksgegevens. Het feit dat er over het algemeen weinig tijd beschikbaar is voor het verzamelen van data, zag hij als een uitdaging. In Rotterdam leerde hij te werken aan stedenbouwkundige vraagstukken op uiteenlopende geografische schaalniveaus: van een verkeerstelling op straatniveau tot een brede statistische voorstudie voor een gewestelijk plan voor Zuid-Holland. En passant heeft hij in deze periode voor het eerste de contouren van de Randstad en het Groene Hart zichtbaar gemaakt.

Diagram van de veranderingen in de woningbehoefte, de woonwijze en het woningbestand in Rotterdam in 1921.

In 1928 werd Van Lohuizen aangenomen als hoofd van de nieuw op te richten afdeling voor onderzoek bij de afdeling Stadsontwikkeling van de Dienst der Publieke Werken van de gemeente Amsterdam. Kort na zijn aanstelling bij de dienst werd Cornelis van Eesteren aangetrokken als ontwerper. Zij werden beide onmiddellijk in het diepe gegooid met de opdracht van het gemeentebestuur om een algemeen uitbreidingsplan voor Amsterdam op te stellen. Van Lohuizen heeft zich met een kleine staf van trouwe medewerkers voorbeeldig gekweten van de hem opgelegde taak. Binnen enkele jaren werd er een schat aan gegevens verzameld over de bevolkingsontwikkeling, het gebruik van gronden en gebouwen, transport en vele andere zaken. Alles werd zorgvuldig op fiches gezet en in kaart gebracht, in de vorm van staaf- en stroomdiagrammen. Daarbij werd veel aandacht besteed aan een begrijpelijke vormgeving en presentatie van de data. De twee lijvige banden van de grondslagen van het Algemeen Plan van Uitbreiding van Amsterdam uit 1934 met de Nota van Toelichting en de Bijlagen gelden tot op heden als een monument voor de stedenbouw en de planologie.

Stroomdiagram (1936) van het autoverkeer via de bestaande ponten over het Y in 1935.

Van Lohuizen ging systematisch te werk. In tegenstelling tot zijn collega’s van de afdeling ontwerp probeerde hij stap voor stap een schema af te werken dat hij rond 1929 in samenspraak met zijn superieuren had opgesteld. Dit werkschema is waarschijnlijk geïnspireerd op voorbeelden uit Engeland en de Verenigde Staten. Ondanks druk vanuit de gemeentepolitiek en de leiding van de dienst om toch vooral praktische kwantitatieve bijdragen te leveren aan de planvorming, zag Van Lohuizen kans om een serieuze survey van de maatschappelijke ontwikkeling te verrichten. Dit behelst een studie van de demografische en economische structuur van de stad Amsterdam in een ruimer geografisch kader. Aan deze veelomvattende studie ligt de vooronderstelling ten grondslag dat de toekomstige bevolkingsontwikkeling het beste kan worden afgeleid uit een diepgravende studie van de economische ontwikkeling en potenties van het plangebied. Een poging in deze richting liep in de jaren dertig stuk op de noodzaak om snel antwoorden te verschaffen op meer concrete vragen met betrekking tot de kwaliteit van de woningvoorraad, de samenstelling en groei van transportstromen en de behoefte aan recreatieterreinen.

Stroomdiagram van het interlokale autoverkeer over het Y in 1935.

Hoewel zijn superieuren in Amsterdam het onderzoek naar de economische drivers van de nationale, regionale en locale ontwikkeling te tijdrovend achtten en de gebruikswaarde in twijfel trokken; bleef Van Lohuizen zoeken naar deze ‘graal van de ruimtelijke ontwikkeling’. Om die ambitie waar te maken zocht hij contact met wetenschappelijke instellingen in Amsterdam en Delft. Dit resulteerde in een aanstelling als privaat-docent in de stedenbouw aan de Universiteit van Amsterdam in 1940. Acht jaar later werd hij benoemd tot buitengewoon hoogleraar in het stedebouwkundig onderzoek aan de Technische Hogeschool in Delft. Aan het begin van de jaren vijftig kreeg hij de eervolle opdracht om leiding te geven aan een nationale survey ter onderbouwing van een national plan voor de ruimtelijke inrichting van West-Nederland. In deze survey liet hij zich leiden door de hypothese dat de ontwikkeling van de werkgelegenheid in de industrie bepalend is voor de omvang van regionale migratie tussen agrarische en verstedelijkte gebieden.

Voorstudie (scenario’s) voor de aanleg van een tunnel onder het IJ uit 1936.

De studie naar de sociaal-economische structuur van West-Nederland waaraan Van Lohuizen vanaf 1952 leiding gaf, slokte dermate veel tijd op dat hij besloot om in 1953 afscheid te nemen van de dienst in Amsterdam. Het studie over de ontwikkeling van het Westen des Lands vergde meer tijd en energie dan voorzien. Met een verwijzing naar de contractueel overeengekomen termijnen  werden Van Lohuizen en zijn collega’s van de Rijksdienst voor het Nationale Plan onder druk gezet door de politieke en ambtelijke leiding. De sociaal-economische studies waar Van Lohuizen een belangrijke impuls aan heeft gegeven vormen de basis van het eindrapport van de Commissie Westen des Lands uit 1958. Dit rapport is een mijlpaal van de Nederlandse ruimtelijke ordening, de basis voor de eerste nationale nota uit 1960. Van Lohuizen heeft het bereiken van deze mijlpalen niet meer meegemaakt. Moegestreden is hij in 1956 overleden.

Kaart van de concentratie van het aantal personen werkzaam in diensten en instellingen samenhangend met het landsbestuur op basis van gegevens uit de volkstelling van 1947 (circa 1953).

Diploma aangeboden aan prof. ir. Th.K. van Lohuizen ter gelegenheid van zijn afscheid bij de afdeling Stadsontwikkeling in Amsterdam op 11 juli 1953.

 

Naslagwerken van en over Van Lohuizen

Inaugurale rede 1948
De eenheid van het stedebouwkundige werk. Rede uitgesproken bij de aanvaarding van het ambt van buitengewoon hoogleraar in het stedebouwkundig onderzoek aan de Technische Hogeschool te Delft op woensdag 11 februari 1948.
Lees meer

Kees Doevendans en Anne Schram (maart 2017), Een onderzoekende blik tussen beduidende bewegingen: Th.K. van Lohuizen tijdens de vorming van netwerken voor een moderne stedenbouw. Amsterdam: EFL Stichting.

Het levenswerk van Th.K. van Lohuizen 1890-1956
Arnold van der Valk, Delftse Universitaire Pers, Delft 1990
ISBN 90-6275-640-9
Lees meer

ALGEMEEN UITBREIDINGSPLAN (AUP) Mr. Dirk Hudig (1872 - 1934) de gangmaker achter het Internationale Stedenbouwcongres in Amsterdam 1924. Hij heeft een belangrijke rol gespeeld in de carrière van Theo van Lohuizen.

ALGEMEEN UITBREIDINGSPLAN (AUP)

De studie van Doevendans en Schram uit 2017 biedt een aanvulling op de biografie uit 1990. De studie plaats het werk van Theo van Lohuizen in de context van nationale en internationale netwerken van intellectuelen en stedenbouwkundige professionals. Zodoende wordt het belang onderstreept van zijn bijdrage aan de totstandkoming van het praktijkveld en de academische discipline stedenbouw. In dit relaas speelt de rol van Van Lohuizen in verband met het vierde Stedenbouwcongres van de International Federation for Housing and Town Planning in Amsterdam (1924) een centrale rol.